Toetsing en planning
Toetsing van kennis en vaardigheden gebeurt op verschillende manieren.
Het meest tastbare zijn nog steeds schriftelijke en mondelinge toetsen en werkstukken. Daarnaast verschijnen steeds meer nieuwe toetsvormen. Bovendien worden de stofhoeveelheden groter en de opdrachten uitgebreider. Dit vraagt voor leerlingen een goede planning. Bovendien moeten wij op school oppassen dat er geen overdaad aan toetsen komt, waardoor het andere werk in de knel komt. Ook moet er genoeg vrije tijd overblijven, maar leerlingen zullen hierbij ook keuzes moeten maken.
Een gemiddelde leerling (maar wie is dat?) die alle verplichte lesuren op school effectief invult, die moet daarnaast nog de nodige tijd aan zijn studie besteden. Volgens de wetgever 600 klokuren op jaarbasis. Ruwweg betekent dit voor ieder lesuur ongeveer 30 minuten extra en in toetsweken nog wat daarbij.
Eén van de manieren om de leerlingen te helpen bij hun planning is de toetsenplanner. Dit is een overzicht die de leerlingen in het begin van het jaar en eind januari krijgen. Daarin staan alle toetsen en opdrachten met een beoordeling van die periode vermeld.
Toetsing gebeurt het hele jaar. Meestal wordt een toets of opdracht beoordeeld met een cijfer. Zo’n cijfer telt (bijna) altijd mee voor het rapport, maar er zijn ook cijfers die meetellen voor het schoolexamen. Schriftelijke toetsen voor het schoolexamen vinden in principe alleen plaats tijdens toetsweken. Afwijkende data zijn terug te vinden in het PTA en de jaarkalender 2de Fase.
Op het einde van vwo 4 krijgen de leerlingen twee cijferlijsten, het eindrapport en een SE-lijst. Het rapport telt alleen voor vwo 4 en dient als basis voor bevordering of zittenblijven. De SE-lijst wordt verder aangevuld op vwo 5 en 6.
Voor het schoolexamen bestaat een aparte herkansingsregeling. Resultaten die behaald worden bij een herkansing voor het schoolexamen tellen niet mee voor het rapport en zijn dus niet van invloed voor de bevorderingsrichtlijnen.
Voor het eindrapport tellen alle vakken van vwo 4 mee. Dus ook een vak dat eventueel op vwo 5 met toestemming van de teamleider ingeruild mag worden voor een ander vak. Alle vakken tellen bij de bevorderingsrichtlijnen even zwaar.
Bij de slaag/zakregeling van het examen wordt iets anders geteld. Van de twaalf examenvakken tellen er acht met een zelfstandig cijfer mee. De cijfers van algemene natuurwetenschappen, maatschappijleer, het profielwerkstuk en klassieke culturele vorming (gymnasium) komen apart op de cijferlijst, maar worden voor de uitslagbepaling gemiddeld tot één combinatiecijfer. Voor de uitslagbepaling wordt daarna met deze negen cijfers gerekend. Als echter bij de onderdelen van het combinatiecijfer het cijfer drie of lager is, dan kun je niet slagen.
Daarnaast komen culturele en kunstzinnige vorming (atheneum) en lichamelijke opvoeding met een beoordeling ‘voldoende’ of ‘goed’ (met ‘onvoldoende’ voor deze vakken kun je niet slagen) op de cijferlijst.

